Beleggen in obligaties. Waarom zou je dat doen? En in welke?
Op deze pagina lees je waarom je obligaties zou aanhouden, wat ze in een portefeuille doen, welke je kunt kiezen en hoe ze in box 3 worden belast. Wil je eerst weten wat een obligatie precies is en hoe het werkt, lees dan Wat is een obligatie?.
Let op: met beleggen kun je jouw inleg verliezen.
Waarom zou je obligaties in je portefeuille houden?
Obligaties horen in een portefeuille om drie redenen: ze verlagen het risico, ze zorgen voor stabiliteit en je kunt er goed mee herbalanceren. Rendement is daarbij niet het hoofddoel — daarvoor zijn de aandelen. Obligaties zijn de aanvulling die de schommelingen dempt en rust geeft.
Obligaties verlagen het risico
Wie maar een beperkt risico wil lopen met zijn beleggingen, heeft baat bij obligaties. Kwalitatief goede obligaties geven minder risico dan aandelen. Voor het verlagen van het risico kies je obligaties van minimaal investment grade kwaliteit.
Veel beleggers hanteren een vaste verdeling tussen aandelen en obligaties, die richting obligaties schuift naarmate ze ouder worden.
Die verdeling is gebaseerd op hoeveel risico je bereid bent te lopen. Die risicobereidheid neemt vaak af naarmate je dichter bij de fase komt waarin je van je vermogen wilt gaan leven. Dan wil je niet hoeven verkopen tijdens een beurskrach.
Een veelgebruikte vuistregel is je leeftijd als percentage obligaties aanhouden. Naarmate je ouder wordt, kom je dichter bij de opnamefase van je portefeuille. Tijdens die fase leef je deels van het rendement en deels van het interen op je vermogen. Dan wil je minder risico lopen.
Meer dan 50% obligaties is voor de meeste beleggers niet nodig. Met minder dan 50% aandelen is er te weinig kans op rendement; met maximaal 50% aandelen tijdens de opnamefase blijft het risico voor velen acceptabel.
Obligaties zorgen voor stabiliteit
Volatiliteit
Een tweede reden is dat je de beweeglijkheid van je portefeuille niet te groot wilt laten worden. Die beweeglijkheid wordt ook wel de volatiliteit genoemd. Aandelen zijn een uitstekende langetermijninvestering. Maar op de korte termijn kunnen ze heel beweeglijk zijn.
De beurskrach van 2008 liet zien wat dat betekent: wie vrijwel zijn hele vermogen in aandelen had, zag een groot deel ervan verdampen zonder te weten wanneer de daling zou stoppen. Voor veel beleggers is dat te veel van het goede en slapen ze met alleen aandelen niet meer rustig. Die risicotolerantie is uiteraard heel persoonlijk.
Obligaties zijn veel minder beweeglijk dan aandelen. Als voorbeeld: Amerikaanse staatsobligaties met een looptijd van vijf jaar zijn sinds 1926 nooit meer dan 5% per jaar gedaald. Ook is de waarde nooit meer dan twee jaar onder het vorige hoogtepunt geweest.
Anticorrelatie
Met name staatsleningen hebben weinig tot geen correlatie, oftewel samenhang met aandelen. Of ze hebben zelfs anticorrelatie. Dat wil zeggen dat de koers van staatsleningen weinig tot niet meebeweegt met de koers van aandelen, of zelfs in tegengestelde richting. Als de koers van aandelen omhoog gaat kan de koers van staatsleningen omlaag gaan.
Bedrijfsobligaties correleren meer met aandelen dan staatsleningen, in het bijzonder tijdens beursdalingen, zie hier.
Wanneer staatsleningen een negatieve correlatie hebben, stijgen ze in waarde zodra aandelen dalen. Met name staatsleningen kun je dus goed gebruiken om een aandelenportefeuille te stabiliseren.
Obligaties geven zo stabiliteit en rust.
Obligaties gebruik je om te herbalanceren
Een derde reden is herbalanceren. Wanneer de aandelenkoersen flink dalen, verkoop je obligaties en koop je aandelen bij. En andersom. Op die manier blijft de verhouding passen bij je risicobereidheid.
Lange tijd dachten beleggers dat herbalanceren extra rendement oplevert. Je koopt namelijk bij een relatief lage koers in en verkoopt wanneer de koers relatief hoog staat.
Vanguard heeft echter een studie gepubliceerd waaruit blijkt dat herbalanceren geen extra rendement oplevert.
Je hoeft dus niet te herbalanceren om extra rendement te maken. Maar herbalanceren is wel nodig als je het risicoprofiel van je portefeuille in overeenstemming wilt laten blijven met je risicobereidheid.
Wat levert een obligatie op: yield en YTM
Het rendement van een obligatie heet de yield. De yield geeft aan wat je aan rente ontvangt ten opzichte van de nominale waarde van de obligatie. Om obligaties met verschillende looptijden eerlijk te vergelijken, gebruik je de yield to maturity (YTM): het rendement tot einde looptijd. Een uitgebreide uitleg van beide begrippen staat in Wat is een obligatie?.
Yield
Een obligatie kan een looptijd hebben van maanden tot wel meer dan 30 jaar.
Afhankelijk van de looptijd wordt er een rente vergoed. Deze renteopbrengst wordt ook wel de yield genoemd. De yield geeft aan wat je aan rente ontvangt als je een obligatie 1 jaar aanhoudt. Deze yield is ten opzichte van de nominale waarde van de obligatie.
Bij langere looptijden wordt over het algemeen een hogere rente vergoed dan bij kortere looptijden. Op langere termijn is er meer risico op inflatie. Om te compenseren voor dit toegenomen risico is de rente hoger bij langere looptijden.
Yield to maturity
Yield to maturity (afgekort YTM), oftewel het rendement tot einde looptijd, is een handige maatstaf om het rendement van obligaties met verschillende looptijden onderling te vergelijken. De YTM wordt meestal weergegeven als een rente op jaarbasis.
In tegenstelling tot yield houdt YTM ook rekening met de huidige waarde van de toekomstige rentebetalingen. Voor meer achtergrondinformatie en de formule die erbij hoort kun je bijvoorbeeld hier terecht.
Stijgende rente zorgt voor dalende obligatiekoers
Risico’s die je loopt bij het aanhouden van obligaties zijn met name dat de lening niet terugbetaald wordt en dat de koers daalt doordat de rente stijgt.
Door kwalitatief goede exemplaren te kopen, bijvoorbeeld minimaal investment grade, verlaag je het risico dat de lening niet terugbetaald wordt.
Het risico dat de rente stijgt werkt als volgt:
Stel je hebt gekozen voor een rente van 4% en een looptijd van 5 jaar. Nu stijgt de marktrente van 4% naar 5%. Nieuw uitgegeven obligaties zullen dan ook 5% in plaats van 4% rente gaan vergoeden. Je kunt nu bijvoorbeeld een nieuw exemplaar met een rente van 5% en een looptijd van 5 jaar kopen. De vorige obligatie met een rente van 4% die je al had wordt dan minder waard.
Die koersdaling is evenredig met de gemiddelde looptijd. Als je obligatie bijvoorbeeld een looptijd heeft van 5 jaar, dan geeft een stijging van de rente van 1% een daling van ongeveer 1% * 5 = 5% van de obligatiekoers.
Het risico op waardedaling door rentestijgingen kun je derhalve verlagen door de looptijd van je obligaties in te korten.
Even een zijstapje: obligatiefonds of losse obligaties bij stijgende rente?
Om jezelf immuun te maken voor koersdalingen van je obligatie ten gevolge van rentestijgingen kun je hem aanhouden tot het einde van de looptijd. Dan krijg je de nominale waarde uitbetaald en in de tussentijd heb je gewoon de rentebetalingen ontvangen.
Bij een stijgende rentecurve is het echter verstandiger om een obligatiefonds met een vaste gemiddelde looptijd aan te houden dan losse obligaties tot einde looptijd aan te houden. Dat levert meer rendement op. Zie deze interessante studie van Kitces voor de details.
Obligaties of spaargeld als stabiele component in je portefeuille?
Spaarrekening = obligatie met looptijd van 0 jaar
Een vrij opneembare spaarrekening bij een Nederlandse bank kun je enigszins beschouwen als een obligatie met een heel laag risico met een looptijd van 0 jaar. Een Nederlandse of Duitse staatslening zou je als zo’n obligatie met zeer laag risico kunnen beschouwen. De rente op een vrij opneembare spaarrekening in Nederland past daarbij: die ligt doorgaans lager dan op deposito’s met een langere looptijd.
Langere looptijd = meer rendement
Deposito’s zijn spaarrekeningen met vaste, langere looptijden. De rentes zijn daarom over het algemeen ook hoger dan op een vrij opneembare spaarrekening.
Je zou kunnen zeggen dat die zich meer naar rechts op de rentecurve bevinden dan een vrij opneembare spaarrekening, welke zich links op de rentecurve bevindt.
Deposito = niet flexibel, obligatie = wel flexibel
Dat deposito zit je echter meestal wel voor de looptijd van het deposito aan vast. Door een depositoladder (een aantal deposito’s met oplopende looptijden, bijvoorbeeld eentje van 0.5 jaar, eentje van 1 jaar, eentje van 2 jaar, etc.) aan te schaffen word je flexibeler, maar ben je nog steeds minder flexibel dan met vrij verhandelbare obligaties.
Een voordeel van een obligatiefonds ten opzichte van een deposito(ladder) is dat je het wel op elk moment kunt verkopen, bijvoorbeeld om te herbalanceren wanneer aandelen flink dalen of stijgen.
Tijdelijk spaarrekening of deposito’s in plaats van obligaties?
Er is zeker wat voor te zeggen om het stabiele deel van je portefeuille (deels) als geld op deposito’s in te leggen of op een spaarrekening te zetten. Je loopt zo geen (of minder) risico op een dalende koers van je obligatiefonds bij een stijgende marktrente. Daarmee is het een prima alternatief voor obligaties.
Een overweging die voor obligaties pleit: consequent in obligaties blijven beleggen in plaats van tijdelijk (deels) in spaargeld heeft als voordeel dat je niet bezig hoeft te zijn met market timing. Vragen die je anders voor jezelf moet beantwoorden zijn: “Wanneer stap ik weer uit spaargeld? En wanneer stap ik weer terug uit obligaties?” Dat geeft onrust.
Ook het feit dat obligaties vrij verhandelbaar zijn is aantrekkelijk. Zodra je wilt herbalanceren kan dat ook. Afhankelijk van de looptijd van eventuele deposito’s kan dat geld niet beschikbaar zijn om te herbalanceren.
Nog wat overwegingen welke zowel voor spaargeld/deposito’s als voor obligaties kunnen pleiten:
Obligaties van investment grade kwaliteit met een middellange looptijd geven al gauw 2x zoveel rente als vrij opneembaar spaargeld. Deposito’s onder het Nederlandse depositogarantiestelsel met een looptijd van minimaal 1 jaar geven vaak een rente die vergelijkbaar is.
Een spaarrekening of deposito geeft geen transactiekosten, een obligatiefonds kan wel transactiekosten hebben.
Een laatste overweging: zodra de aandelenkoersen flink dalen, dan gaan de koersen van met name veilige staatsleningen meestal omhoog. Men vlucht naar zogenaamde veilige havens. Als je dan staatsleningen verkoopt om met de opbrengst aandelen te kopen, zodat je verhouding aandelen/obligaties weer past bij je risicobereidheid, krijg je meer opbrengst van je verkoop. Die hogere opbrengst heb je bij een spaarrekening niet, want die wordt niet meer waard zodra aandelen in waarde zakken.
Beleggen in obligaties — welke kies je?
Staatsleningen en bedrijfsobligaties
Grofweg zijn er twee soorten obligaties om uit te kiezen: staatsleningen en bedrijfsobligaties. Een veelgebruikte invulling is Europese staatsleningen via een fonds als het iShares Core Euro Government Bond UCITS ETF (IEGA) en bedrijfsobligaties in euro’s via het iShares Core Euro Corporate Bond UCITS ETF (IEAC).
Bedrijfsobligaties geven typisch iets meer rendement dan staatsleningen. Obligaties in euro’s hebben als voordeel dat je geen instabiliteit door valutaschommelingen krijgt.
Bedrijfsobligaties of staatsleningen?
Bedrijfsobligaties blijken voor een aantal periodes in de geschiedenis beter te renderen dan staatsleningen. Uit verder onderzoek blijkt echter dat dat extra rendement vooral ontstaat doordat ze meer risico met zich meebrengen. Bedrijfsobligaties lijken iets meer op aandelen dan dat staatsleningen dat doen.
Swedroe, een deskundige op dit gebied, gaf daarnaast een overtuigend pleidooi om voor het stabiliserende deel van je portefeuille geen bedrijfsobligaties aan te houden, zie hier.
Voor wie het obligatiedeel puur als stabiliserend deel ziet, pleit dit ervoor om bedrijfsobligaties links te laten liggen en uitsluitend in staatsleningen te beleggen.
Wereldwijd gespreide obligaties gehedged naar de euro
Vanguard pleit in een artikel voor wereldwijd gespreide obligaties gehedged naar de euro voor Europeanen. Dit artikel is gebaseerd op een combinatie van ongeveer 20% bedrijfsobligaties en 80% staatsleningen en andere leningen die meestal door overheden gegarandeerd zijn. Aannemelijk is dat de conclusies ook gelden voor 100% staatsleningen.
Vanguard laat zien dat wereldwijde obligaties gehedged naar de euro in de periode 1988-2017 significant minder volatiliteit laten zien dan Europese obligaties.
Wereldwijd in obligaties beleggen geeft ook ongeveer 4x zoveel spreiding dan alleen Europees beleggen.
Een ander belangrijk aspect is dat er een vrij lage correlatie is tussen de opbrengst van staatsleningen tussen landen in de wereld in de afgelopen 50 jaar. Als op een plek de rente stijgt, kan het goed zo zijn dat die op een andere plek daalt. Daardoor krijg je bij wereldwijde spreiding van je staatsleningen een stabielere obligatieportefeuille.
Met uitsluitend Europese staatsleningen loop je daarnaast een politiek risico. Van de Europese staatsleningen in IEGA is ongeveer 22% Italiaans en 14% Spaans. In beide landen bestaan politieke risico’s die je wellicht niet in een dergelijke omvang in het stabiele obligatiedeel van een beleggingsportefeuille vertegenwoordigd wilt zien.
Door wereldwijd gespreid in staatsleningen gehedged naar de euro te gaan beleggen spreid je het risico.
Xtrackers II Global Government Bond UCITS ETF (DBZB)
Een wereldwijd gespreid obligatiefonds dat belegt in staatsleningen van minimaal investmentgrade kwaliteit, gehedged is naar de euro en fysiek de obligaties uit het fonds aanhoudt, is het Xtrackers II Global Government Bond UCITS ETF (ticker: DBZB, ISIN code: LU0378818131).
Dit fonds is overgestapt van synthetische replicatie op fysieke replicatie. Daarmee voldoet het aan de 6 eisen die aan een goed indexfonds te stellen zijn.
In DBZB beleg je bijvoorbeeld via DEGIRO. Dat kan via de Duitse beurs Xetra.
Een voordeel van DBZB ten opzichte van IEAC en IEGA is dat het dividend herbelegt, waardoor je geen dividendkosten meer hebt voor dit fonds bij een DEGIRO Custody account.
Wanneer je het tickersymbool DBZB intypt in de zoekfunctie na inloggen bij DEGIRO, verschijnt het fonds. Via de groene K kun je het fonds vervolgens aanschaffen (zie eventueel Instructies voor het aanschaffen van een fonds via DEGIRO).
Hoe worden obligaties belast in box 3?
Obligaties vallen in box 3 onder de categorie “overige bezittingen”, net als aandelen en ETF’s. De Belastingdienst rekent daarvoor in 2026 met een forfaitair rendement van 6,00%, en dat tarief staat vast. Tegen het box 3-tarief van 36% komt de belastingdruk daarmee neer op 2,16% van de waarde van je obligaties. Spaargeld en deposito’s vallen onder “banktegoeden”, met een veel lager (voorlopig) forfait van 1,28% en een druk van 0,46%. Het verschil in belastingdruk is dus ongeveer 1,70% van het betrokken vermogen, in het nadeel van obligaties. Belasting betaal je alleen over het vermogen boven het heffingsvrije vermogen van € 59.357 per persoon (€ 118.714 voor fiscale partners), gemeten op de peildatum van 1 januari. De percentages voor banktegoeden en schulden zijn voorlopig en worden begin 2027 definitief.
Hoeveel belasting betaal je over obligaties?
Over obligaties betaal je in 2026 een belastingdruk van 2,16% van hun waarde. De Belastingdienst rekent met een forfaitair rendement van 6,00% over “overige bezittingen”, waaronder obligaties vallen, en belast dat rendement tegen 36%. Op € 100.000 aan obligaties boven het heffingsvrije vermogen komt dat neer op € 2.160 belasting per jaar. Heb je minder werkelijk rendement behaald dan het forfait, dan mag je via de tegenbewijsregeling uitgaan van je werkelijke, lagere rendement. Hoe je je box 3-belasting precies berekent, lees je op de pagina vermogensbelasting.
Wat is het verschil in belasting tussen obligaties en spaargeld?
Spaargeld wordt in box 3 veel lichter belast dan obligaties. Spaargeld en deposito’s vallen onder “banktegoeden” met een belastingdruk van 0,46%, terwijl obligaties als “overige bezittingen” tegen 2,16% worden belast. Het verschil is ongeveer 1,70% van het betrokken vermogen. Op € 100.000 boven het heffingsvrije vermogen betaal je over obligaties zo’n € 2.160, tegenover ongeveer € 460 over spaargeld — een verschil van € 1.700 per jaar. Voor het stabiele deel van een portefeuille is spaargeld of een depositoladder fiscaal dus aantrekkelijker dan een obligatiefonds.
Obligaties of een depositoladder — wat is fiscaal slimmer?
Voor het stabiele deel van je portefeuille is een depositoladder fiscaal aantrekkelijker dan een obligatiefonds. Deposito’s vallen onder banktegoeden en worden tegen 0,46% belast, terwijl obligaties als overige bezittingen tegen 2,16% worden belast. Op € 100.000 boven het heffingsvrije vermogen scheelt dat € 2.160 belasting voor obligaties tegenover € 460 voor een depositoladder — een verschil van € 1.700 per jaar. Daar staat tegenover dat een deposito gedurende de looptijd vaststaat en je het niet tussentijds kunt verkopen om te herbalanceren. Hoe een depositoladder werkt en hoe je hem opbouwt, lees je op de pagina depositoladder. Een Nederlandse aanbieder waar je goed een depositoladder opbouwt is bijvoorbeeld Ayvens Bank.
Wat verandert er vanaf 2028 voor obligaties?
Vanaf 2028 verdwijnt het forfaitaire stelsel en betaal je belasting over je werkelijke rendement. Voor obligaties betekent dat: niet langer een vast percentage over de waarde, maar belasting over de werkelijk ontvangen rente én over de waardeontwikkeling van je obligaties — ook als je ze niet hebt verkocht. Bij een dalende koers door een stijgende rente is dat verlies aftrekbaar. Wat het nieuwe stelsel precies inhoudt en wat het voor beleggers betekent, lees je op de pagina box 3 2028: belasting op werkelijk rendement. Hoe het huidige stelsel werkt en hoe je je vermogensbelasting berekent, staat op de pagina vermogensbelasting.




Geef een reactie