Status (laatst bijgewerkt: 2 oktober 2026). Het kabinet wil de koerswinst op aandelen, obligaties en andere financiรซle instrumenten in box 3 vanaf 2028 pas belasten als je verkoopt. Dat staat in een Kamerbrief van 29 september 2026 van minister-president Jetten, minister Heinen en staatssecretaris Eerenberg. Het kabinet past daarvoor het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 aan met een novelle: een wijziging op een wetsvoorstel dat al in behandeling is.
Volgens het kabinet valt daarmee circa 90% van het vermogen met waardeontwikkeling in box 3 onder een vermogenswinstbelasting. Voor de overige bezittingen volgt die overstap in 2030. Twee weken eerder, op 13 september, vroeg het kabinet de Eerste Kamer nog om de behandeling aan te houden tot het voorjaar van 2027.
Het heffingsvrije resultaat gaat in het voorstel per 2028 omlaag van โฌ 1.800 naar โฌ 1.000. Ter dekking wil het kabinet in het huidige stelsel het heffingsvrije vermogen voor 2027 terugbrengen naar โฌ 30.846, het niveau van 2020, en het forfait voor overige bezittingen in 2027 met 1,5 procentpunt verhogen.
Over die โฌ 1.000 zei minister Heinen op 1 oktober dat het kabinet bereid is tot een andere grens, nadat oppositie en coalitiefracties er in de Tweede Kamer kritisch op hadden gereageerd. Hij koos โฌ 1.000 zodat een stel met zo’n โฌ 100.000 spaargeld buiten de heffing blijft, maar erkende dat hij heeft onderschat hoeveel mensen nu ineens belasting over hun spaargeld gaan betalen. Ook naar de tijdelijke verhoging voor 2027, met het heffingsvrije vermogen van โฌ 30.846 en het hogere forfait, gaat hij opnieuw kijken. Duidelijkheid moet er komen bij de behandeling van het Belastingplan in de Tweede Kamer, vanaf half oktober.
Het is een voorstel, nog geen wet. Voor invoering per 2028 moet de Eerste Kamer de novelle vรณรณr 31 december 2026 aannemen; daarom vraagt het kabinet de Raad van State om spoedadvies en wil het de novelle laten meelopen met de behandeling van het Belastingplan 2027. Tot er een nieuw stelsel is, blijft het huidige forfaitaire stelsel met tegenbewijsregeling gelden.
In het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 belast de overheid je vermogen niet langer op basis van een fictief rendement, maar op je werkelijke rendement: de rente, dividend en huur die je ontvangt, plus de waardeontwikkeling van je vermogen. De beoogde ingangsdatum is 1 januari 2028. Het voorgestelde tarief is 36%.
Voor beleggers maakt het voorstel van 29 september een wezenlijk verschil. In het wetsvoorstel zoals de Tweede Kamer het aannam, betaal je elk jaar belasting over papieren winst, ook als je niets verkoopt; dat was het meest omstreden onderdeel. In dit artikel leg ik uit wat er verandert, wat het betekent voor je route naar financiรซle onafhankelijkheid (FIRE), en wat je nu al kunt doen. Rekenvoorbeelden gaan uit van het wetsvoorstel zoals de Tweede Kamer het aannam, tenzij ik het nieuwe voorstel erbij noem.
Waarom verandert de box 3-belasting?
De aanleiding voor het nieuwe stelsel ligt in het zogeheten ‘Kerstarrest’ van de Hoge Raad van 24 december 2021. De hoogste rechter oordeelde dat het belasten van vermogen op basis van fictieve rendementen in strijd is met het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens (EVRM). Het oude stelsel werkt discriminerend, omdat het geen rekening houdt met de werkelijke samenstelling van iemands vermogen, noch met het daadwerkelijk behaalde rendement.
Ook de overbruggingswetgeving met aangepaste fictieve percentages werd in 2024 door de Hoge Raad als discriminerend aangemerkt. Dat leidde tot de huidige tegenbewijsregeling en uiteindelijk tot dit nieuwe wetsvoorstel.
Wat verandert er in box 3 vanaf 2028?
In het huidige stelsel betaal je belasting over een fictief rendement dat de Belastingdienst aanneemt. Vanaf 2028 betaal je belasting over je werkelijk behaalde rendement. Dat omvat directe opbrengsten zoals rente, dividend en huur, รฉn de waardeontwikkeling van je bezittingen. Win je waarde, dan betaal je; verlies je waarde, dan is dat aftrekbaar.
Het belangrijkste verschil is dus de grondslag: het huidige stelsel werkt met vaste rendementspercentages, terwijl het nieuwe stelsel uitgaat van wat je daadwerkelijk verdient. Ook nieuw is de kostenaftrek: vanaf 2028 mag je kosten zoals bankkosten, transactiekosten en onderhoudskosten van vastgoed aftrekken van je rendement. Voor het lopende belastingjaar 2026 geldt nog het huidige forfaitaire stelsel met tegenbewijsregeling.
Wat is werkelijk rendement in box 3?
Werkelijk rendement is het daadwerkelijke resultaat op je vermogen in een jaar, en bestaat uit twee delen. De reguliere voordelen zijn rente, dividend, huur en pacht. Daarnaast telt de waardeontwikkeling mee: de winst of het verlies op bijvoorbeeld aandelen, obligaties en crypto. Samen vormen die je belastbare rendement, verminderd met aftrekbare kosten.
Aftrekbaar zijn onder meer: betaalde rente op schulden, beheerkosten van bankrekeningen, transactiekosten bij aan- en verkoop van beleggingen, en onderhoudskosten van onroerend goed. Dit is een fundamenteel verschil met het huidige stelsel, waarin dergelijke kosten niet in mindering kunnen worden gebracht op het forfaitaire rendement.
Vermogensaanwas of vermogenswinst: wat is het verschil?
Het nieuwe stelsel gebruikt twee systemen naast elkaar. Bij een vermogensaanwasbelasting betaal je elk jaar belasting over de waardestijging, ook als je nog niets hebt verkocht. Bij een vermogenswinstbelasting betaal je pas bij verkoop, over de gerealiseerde winst.
In het wetsvoorstel zoals de Tweede Kamer het aannam, is vermogensaanwas de hoofdregel en vallen alleen vastgoed en aandelen in start-ups en scale-ups onder vermogenswinst. Het kabinet wil daar vanaf 2028 alle financiรซle instrumenten aan toevoegen, zoals aandelen, obligaties en opties.
| Kenmerk | Vermogensaanwasbelasting | Vermogenswinstbelasting |
|---|---|---|
| Wanneer belast | Jaarlijks, over de waardeontwikkeling | Pas bij verkoop (realisatie) |
| Geldt voor (wetsvoorstel Tweede Kamer) | Spaargeld, aandelen, obligaties, crypto | Onroerend goed, aandelen start-ups/scale-ups |
| Geldt voor (voorstel kabinet 29 september 2026) | Wat geen vastgoed, start-up of financieel instrument is, tot 2030 | Ook alle financiรซle instrumenten, zoals aandelen, obligaties en opties, vanaf 2028 |
| Belast bij niet-verkocht bezit | Ja, ook ongerealiseerde winst | Nee |
| Gevolg voor jou | Mogelijk belasting zonder dat er geld vrijkomt | Belasting valt samen met de verkoopopbrengst |
Ook in het nieuwe voorstel verloopt de overgang in twee fasen, maar met een andere verdeling. In 2028 gaan vastgoed, aandelen in start-ups en scale-ups en alle financiรซle instrumenten onder de vermogenswinstbelasting; de overige bezittingen volgen in 2030. In het wetsvoorstel zoals de Tweede Kamer het aannam, bleven aandelen en obligaties tot die tweede fase onder de vermogensaanwasbelasting.
Volgens de stukken bij de Kamerbrief van 13 september schoof een volledige vermogenswinstbelasting door het uitstel nog op naar 2031; het nieuwe voorstel houdt 2030 aan. Voor beleggers is het verschil tussen de twee systemen cruciaal. Verderop leg ik uit waarom een heffing bij verkoop juist gunstig kan uitpakken.
Het belasten van ongerealiseerde waardestijgingen is het meest controversiรซle onderdeel van het nieuwe stelsel. Bij vermogensaanwasbelasting betaal je jaarlijks 36% belasting over papieren winst die je nog niet hebt verzilverd, wat kan leiden tot een ‘liquiditeitsval’. Stel: je beleggingsportefeuille groeit in 2028 met โฌ 10.000, dan betaal je in 2029 โฌ 2.952 belasting: (โฌ 10.000 โ โฌ 1.800) ร 36%.
Daalt de koers vervolgens sterk, dan heb je belasting betaald over winst die inmiddels verdampt is. Je mag het verlies wel verrekenen met toekomstige winsten, maar de overheid heeft de winst al geรฏncasseerd terwijl jij het marktrisico draagt.
Wat betekent box 3 2028 voor spaarders?
Voor spaarders sluit de belasting straks aan op de werkelijk ontvangen rente. Is de spaarrente laag, dan betaal je weinig; is die hoog, dan betaal je meer. Dat is een verschil met het huidige stelsel, waarin over spaargeld met een laag forfaitair rendement wordt gerekend dat soms hoger of lager uitvalt dan je echte rente.
Rekenvoorbeeld spaarder. Stel je hebt โฌ 80.000 op een spaarrekening met 2,5% rente. Je werkelijke rendement is dan โฌ 2.000 per jaar.
Na aftrek van het heffingsvrije resultaat van โฌ 1.800 betaal je belasting over โฌ 200: โฌ 200 ร 36% = โฌ 72. Het nieuwe stelsel is dus voordelig voor spaarders met lage rendementen, maar kan duurder uitpakken bij hogere spaarrentes.
Met het heffingsvrije resultaat van โฌ 1.000 uit het voorstel van 29 september betaal je in hetzelfde voorbeeld belasting over โฌ 1.000: โฌ 1.000 ร 36% = โฌ 360. Het kabinet rekent zelf voor dat je met 2% rente over de eerste โฌ 50.000 spaargeld geen belasting betaalt. Die grens kan nog veranderen: sinds 1 oktober is het kabinet bereid tot een andere ondergrens.
Wat betekent box 3 2028 voor beleggers en FIRE?
Voor beleggers hangt het antwoord af van de novelle. Gaat die door, dan betaal je vanaf 2028 over de koerswinst op je aandelen en ETF’s pas belasting als je verkoopt. Ik verwacht dat uitgekeerd dividend wel elk jaar belast blijft, net als huur bij vastgoed in het wetsvoorstel. Bij een accumulerende ETF, die het dividend in het fonds herbelegt, betaal je dan wellicht pas bij verkoop; zeker is dat pas als de tekst van de novelle er is.
In het wetsvoorstel zoals de Tweede Kamer het aannam, is de vermogensaanwasbelasting het grote aandachtspunt. Daarin betaal je jaarlijks belasting over de waardestijging van je beleggingen, ook over aandelen die je niet hebt verkocht. In een goed beursjaar kan dat betekenen dat je belasting moet betalen zonder dat er geld is vrijgekomen.
De impact op je rendement is reรซel. Stel je behaalt met een wereldwijd gespreide index (zoals de MSCI ACWI index) een historisch gemiddelde van 9%:
- Nu: de belastingdruk komt neer op circa 2,16% (6,00% forfait ร 36%). Netto rendement: 6,84%.
- Vanaf 2028 met vermogensaanwas: 36% belasting over die 9% winst betekent een druk van 3,24%. Netto rendement: 5,76%.
Dit lijkt een klein verschil, maar door het wegvallen van het rente-op-rente-effect over de reeds afgedragen belasting loopt de schade op de lange termijn flink op. Volgens een recente deep dive kan het eindkapitaal in het nieuwe stelsel tot wel een factor 3,5 lager uitvallen dan onder het huidige regime. Houd er rekening mee dat dit modelmatige schattingen zijn, sterk afhankelijk van de aannames.
Je gaat bovendien al bij een veel lager vermogen belasting betalen. Door het heffingsvrije resultaat van โฌ 1.800 op de winst betaal je (uitgaande van datzelfde rendement van 9%) al box 3-belasting vanaf een belegd vermogen van ongeveer โฌ 20.000. Een belangrijk pluspunt blijft wel dat verliezen voortaan verrekenbaar zijn met toekomstige winsten.
Tip: gebruik de FOB-vergelijker voor indexfondsen, ETF’s en brokers om te zien waar je het voordeligst belegt.
Langer doorwerken voor FIRE?
De cijfers liegen niet: de opbouwfase wordt zwaarder onder de vermogensaanwasbelasting. Uit de deep-dive-berekeningen blijkt dat een gemiddelde FIRE-aspirant rekening moet houden met een verlenging van de opbouwfase met bijna 4 jaar. Dat is fors, maar het maakt financiรซle vrijheid zeker niet onmogelijk.
Drie risico’s voor beleggers rond de overgang naar 2028
Naast de structureel hogere belastingdruk lopen beleggers door de overgang drie specifieke risico’s. In het slechtste geval kun je tientallen procenten van je vermogen kwijtraken zonder dat je daadwerkelijk rendement hebt gemaakt.
Risico 2 en 3 horen bij de jaarlijkse heffing over papieren winst en vervallen voor aandelen en ETF’s als de novelle doorgaat. Of risico 1 blijft, hangt af van de startwaarde die het voorstel voor beleggingen hanteert; die staat nog niet in de brief van 29 september.
1. Het overgangsrisico: verlies van vรณรณr 2028 telt niet mee
Verliesjaren van vรณรณr 2028 kunnen niet worden meegenomen naar het nieuwe stelsel. Daalt de beurs vรณรณr 2028 en herstelt die daarna, dan betaal je belasting over de stijging vanaf het dieptepunt, ook al is dat in feite niets meer dan herstel van eerder verlies.
Een voorbeeld. Je hebt โฌ 100.000 belegd. Tussen nu en 1 januari 2028 daalt de waarde met 57%, zoals tijdens de kredietcrisis van 2008. Op de peildatum heb je nog โฌ 43.000.
Herstelt de beurs daarna volledig naar โฌ 100.000, dan heb je feitelijk geen rendement gemaakt, maar volgens de Belastingdienst boekte je โฌ 57.000 winst. Daarover betaal je 36%: โฌ 20.520. Na herstel houd je dus geen โฌ 100.000 over maar โฌ 79.480. Je bent ruim 20% van je vermogen kwijt zonder ook maar enige echte winst.
2. Het correctierisico: belasting over winst die later verdampt
In het nieuwe stelsel betaal je jaarlijks 36% over niet-gerealiseerde koerswinst. Boek je in 2028 en 2029 samen ruim 40% winst (zoals in 2023-2024), dan reken je daarover af, ook zonder de winst te verzilveren. Daalt de beurs daarna met 40%, dan krijg je niets terug. Er bestaat wel verliesverrekening, maar die kent harde grenzen: alleen voor verliezen nรก 2028, alleen boven de drempel van โฌ 500, en alleen met toekomstige box 3-inkomsten zolang je in Nederland belastingplichtig bent.
Stop je met beleggen of emigreer je, dan kan de verliesverrekening dus grotendeels of geheel onbenut blijven. Ook hier geldt: je kunt effectief tientallen procenten van je vermogen kwijtraken zonder structureel rendement te hebben behaald. Let op: juist dit gat (een verlies dat onbenut blijft bij emigratie of overlijden) is wat de onderzochte carry-back van รฉรฉn jaar deels zou dichten. De brief van 29 september noemt de carry-back niet.
3. Het liquiditeitsrisico: gedwongen verkopen op een slecht moment
Je moet vanaf 2028 jaarlijks belasting betalen over niet-gerealiseerde winst. Zit al je vermogen vast in beleggingen, dan kun je gedwongen worden te verkopen om de aanslag te voldoen, mogelijk op een ongunstig moment.
Stel je hebt โฌ 100.000 belegd en maakt โฌ 27.000 winst, zoals in 2019. Daarover ben je bijna โฌ 10.000 belasting verschuldigd. Daalt de beurs op het moment van betalen met 50%, dan krimpt je vermogen naar โฌ 63.500; na het betalen van de belasting blijft โฌ 53.500 over om mee te herstellen.
Herstelt de beurs volledig, dan kom je uit op โฌ 107.000, terwijl je zonder die tussentijdse daling โฌ 117.000 zou hebben gehad. Door op een slecht moment te moeten liquideren ben je effectief bijna 10% kwijt. Een cashbuffer van ongeveer 10% van je beleggingen is meestal groot genoeg om dit risico op te vangen.
De oplossingen voor deze drie risico’s komen grotendeels overeen: beleggingen (deels) omzetten in spaargeld of deposito’s, pensioenbeleggen, of beleggen via een BV. Die bespreek ik verderop in Box 3-belasting vermijden of beperken.
Voor wie de risico’s kwantitatief wil doorgronden: op r/DutchFIRE staan risicosimulaties die de overgang doorrekenen.
De paradox: minder eindkapitaal, maar meer veiligheid?
Interessant genoeg pakt het nieuwe stelsel gunstig uit voor het sequence of returns risk: het gevaar dat een beurscrash vlak na je pensioendatum je portefeuille decimeert. Omdat je in het nieuwe stelsel bij verlies geen belasting betaalt รฉn dat verlies mag verrekenen met latere winstjaren, fungeert de overheid als een soort schokdemper tijdens slechte beursjaren. Daardoor daalt de faalkans van je portefeuille.
Dat compenseert deels de daling van de SWR (Safe Withdrawal Rate: hoeveel je per jaar veilig aan je vermogen kunt onttrekken) door het lagere verwachte eindkapitaal. Voor een portefeuille van 80% aandelen en 20% spaargeld/obligaties over 30 jaar zou de SWR binnen de aannames van de deep dive dalen van ongeveer 3,3% naar circa 3,0%.
Hoeveel belasting betaal je in het nieuwe box 3-stelsel?
Het voorgestelde tarief is 36% over je werkelijke rendement. Daarop geldt in het wetsvoorstel een heffingsvrij resultaat van โฌ 1.800 per persoon: over de eerste โฌ 1.800 rendement betaal je geen belasting. Het kabinet wil dat bedrag per 2028 verlagen naar โฌ 1.000. Over het rendement boven het heffingsvrije resultaat betaal je 36%.
Fiscale partners kunnen het heffingsvrije resultaat samen benutten. Een verlaging van het tarief naar 35% en een verhoging van het heffingsvrije resultaat naar โฌ 1.900 stonden op de menukaart van 19 juni 2026, maar het kabinet heeft ze niet voorgesteld. Het rekenvoorbeeld hieronder laat beide bedragen zien: โฌ 1.800 uit het wetsvoorstel en โฌ 1.000 uit het voorstel van 29 september, al is het kabinet sinds 1 oktober bereid tot een andere grens.
Rekenvoorbeeld. Stel je behaalt โฌ 5.000 werkelijk rendement uit dividend, rente en waardestijging, en je hebt โฌ 200 aan transactiekosten gemaakt. Je netto rendement is โฌ 4.800. Na aftrek van het heffingsvrije resultaat: โฌ 4.800 โ โฌ 1.800 = โฌ 3.000.
Hierover betaal je 36%: โฌ 3.000 ร 0,36 = โฌ 1.080 belasting. Met het heffingsvrije resultaat van โฌ 1.000 wordt dat (โฌ 4.800 โ โฌ 1.000) ร 0,36 = โฌ 1.368. Met een fiscaal partner laat je samen โฌ 3.600 heffingsvrij (2 ร โฌ 1.800), in het nieuwe voorstel โฌ 2.000. Bereken je eigen situatie met onze vermogensbelasting calculator.
Wat als je in een jaar verlies maakt?
Een negatief rendement mag je verrekenen met positief rendement in latere jaren (carry-forward). Daarbij geldt een verliesdrempel van โฌ 500: de eerste โฌ 500 verlies in een jaar is niet verrekenbaar, het meerdere wel. Achterwaartse verrekening met eerdere jaren is in het huidige voorstel niet opgenomen, al staat dat punt politiek volop ter discussie.
Een motie van ChristenUnie en JA21 om achterwaartse verliesverrekening (carry-back) mogelijk te maken werd in februari 2026 door een meerderheid van de Tweede Kamer aangenomen, met steun van coalitiepartij VVD. In de brief van 19 juni 2026 noemt het kabinet een carry-back van รฉรฉn jaar als belangrijkste onderzochte verzachting. De werking: een verlies uit 2029 zou je dan mogen verrekenen met je box 3-inkomen uit 2028.
Dat is vooral van belang bij overlijden of emigratie, waar een verlies anders nooit meer verrekend kan worden. In de bijlage bij de Kamerbrief van 13 september 2026 is een carry-back van รฉรฉn jaar geraamd op โฌ 1.387 miljoen in 2028 en โฌ 3.535 miljoen cumulatief tot en met 2031. Een variant met twee jaar carry-back werd eerder geraamd op ruim โฌ 2,2 miljard in het eerste jaar.
De menukaart bevat meer dan alleen de carry-back. Voor beleggers en spaarders zijn vooral relevant: een verlaging van het tarief van 36% naar 35%, een verhoging van het heffingsvrije resultaat van โฌ 1.800 naar โฌ 1.900, behoud van de heffingskorting voor groen beleggen, een doorschuifregeling bij huwelijk en scheiding, en voortgang van een aparte wet om start-ups en scale-ups fiscaal te stimuleren.
Daarnaast staan er enkele specifieke regelingen op de lijst: onder meer voor NSW-landgoederen, een keuzeregeling partiรซle buitenlandse belastingplicht en een win-winlening voor particulieren die geld uitlenen aan mkb-ondernemingen. In de brief van 29 september kiest het kabinet voor een andere route: een vermogenswinstbelasting voor financiรซle instrumenten vanaf 2028. De carry-back en de andere verzachtingen komen in die brief niet terug; alleen een regeling voor NSW-landgoederen neemt het kabinet mee.
Vermogenswinstbelasting: het goede nieuws voor beleggers
Het echt goede nieuws voor beleggers komt mogelijk al in 2028. Gaat de novelle door, dan belast box 3 de koerswinst op je aandelen en ETF’s pas bij verkoop, en vanaf 2030 geldt dat voor al je bezittingen. De situatie wordt dan vergelijkbaar met (of zelfs gunstiger dan) de huidige box 2-constructies, en duidelijk beter dan de vermogensaanwasbelasting. Het rendement-op-rendement-effect werkt dan namelijk weer volledig in jouw voordeel.
In box 2 heb je nu al een vorm van vermogenswinstbelasting: je betaalt pas bij realisatie van de winst, mag verliezen verrekenen, en de gecombineerde belastingdruk ligt rond de 39%. Als box 3 straks ook pas heft bij realisatie, maar tegen een tarief van 36% inclusief verliesverrekening, ben je onder de streep waarschijnlijk zelfs beter af dan in box 2. Je profiteert dan van:
- Een lager belastingtarief (36% versus ongeveer 39%).
- Belastinguitstel tot het moment van verkoop, inclusief verliesverrekening.
- Het ontbreken van de extra kosten en administratieve rompslomp van een box 2-constructie.
In dat scenario zou de weg naar FIRE zelfs eenvoudiger en toegankelijker kunnen worden dan onder het huidige stelsel. Belangrijke kanttekening: ook dit is een voorstel van het kabinet, geen vaststaand feit. De novelle moet vรณรณr 31 december 2026 door beide Kamers, en details zoals de startwaarde van je beleggingen staan nog niet in de brief.
Wat betekent het voor vastgoedbezitters?
Voor onroerend goed geldt een vermogenswinstbelasting: de waardestijging belast je pas bij verkoop, niet jaarlijks. De directe opbrengst wordt wรฉl ieder jaar belast, en daarvoor onderscheidt het voorstel drie situaties.
- Minimaal 90% van het jaar verhuurd: je betaalt over de ontvangen huur- en pachtinkomsten.
- Het hele jaar niet verhuurd: er geldt een vastgoedbijtelling van 3,35% van de WOZ-waarde.
- Gemengd gebruik, minder dan 90% verhuurd: je betaalt over het hรณรณgste van de werkelijke huurinkomsten of die vastgoedbijtelling.
Jaarlijkse onderhouds- en periodieke kosten zijn in alle drie de gevallen aftrekbaar; verbeteringskosten worden geactiveerd. Het kabinet wil het percentage van de vastgoedbijtelling voor het eerst na vijf jaar herijken, en doet aanvullend onderzoek naar vakantiewoningen in eigen bezit.
Als startpunt voor de waardebepaling geldt de waarde op 1 januari 2028 (voor woningen de WOZ-waarde, voor niet-woningen de waarde in het economisch verkeer). Waardestijging vรณรณr die datum blijft buiten de heffing. Bij verkoop wordt het verschil tussen de verkoopprijs en die startwaarde belast, waarbij je verbeteringskosten vanaf 1 januari 2028 mag aftrekken, mits goed gedocumenteerd.
Box 3-belasting vermijden of beperken
Wil je beleggen maar de box 3-belasting en de overgangsrisico’s beperken, dan kan pensioenbeleggen een overweging waard zijn. Je hebt daarvoor jaarruimte of reserveringsruimte nodig. Zie deze blogpost voor uitleg en details.
Tijdelijk overstappen op een depositoladder kan ook, al kost dat mogelijk flink wat rendement. En je zou kunnen overwegen om vanuit box 2 (een BV) te beleggen; dat heeft zijn eigen aandachtspunten. Welke route het beste past, hangt sterk af van je persoonlijke situatie.
Wat moet je nu al doen?
Zolang het nieuwe stelsel er niet is, verandert er niets aan de manier waarop je aangifte doet: het huidige forfaitaire stelsel met tegenbewijsregeling blijft gelden, ook over 2027. Wel wil het kabinet voor 2027 het heffingsvrije vermogen verlagen naar โฌ 30.846 en het forfait voor overige bezittingen met 1,5 procentpunt verhogen, al kijkt de minister daar sinds 1 oktober opnieuw naar. Bereken wat je nu betaalt met onze vermogensbelasting calculator en lees wat er in 2026 en 2027 in box 3 geldt.
Het is verstandig om vanaf nu je kosten en transacties bij te houden, want die worden in het nieuwe stelsel relevant. Dat geldt nog sterker nu het kabinet verwacht dat banken in ieder geval in het eerste jaar geen gegevens kunnen aanleveren voor de vooraf ingevulde aangifte.
Wanneer gaat het nieuwe box 3-stelsel in?
De beoogde ingangsdatum is 1 januari 2028. Daarvoor moet de Eerste Kamer de novelle vรณรณr 31 december 2026 aannemen, en daarom vraagt het kabinet de Raad van State om spoedadvies en wil het de novelle laten meelopen met de behandeling van het Belastingplan 2027.
Haalt de Eerste Kamer die datum niet, dan volgt volgens de besluitvormingsstukken bij de Kamerbrief van 13 september in ieder geval een jaar uitstel. Het huidige forfaitaire stelsel met tegenbewijsregeling blijft dan ook in 2028 gelden.
De overstap gaat in het voorstel in twee stappen: in 2028 gaan alle financiรซle instrumenten onder de vermogenswinstbelasting, in 2030 volgen de overige bezittingen. Eerder werd invoering van het nieuwe stelsel al uitgesteld van 2026 naar 2027 en daarna naar 2028.
De Tweede Kamer nam op 10 februari 2026 een motie aan die de regering vraagt uiterlijk bij het Belastingplan 2029 een box 3-stelsel op basis van vermogenswinst te presenteren, inclusief dekking. Het kabinet noemt het voorstel van 29 september een invulling van die motie-Vermeer.
Tot een nieuw stelsel er is, blijft het huidige forfaitaire stelsel met tegenbewijsregeling gelden, ook voor 2027.
Tijdlijn en status van het wetsvoorstel
- 19 mei 2025: wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 aangeboden aan de Tweede Kamer.
- 10 februari 2026: de Tweede Kamer neemt de motie-Vermeer aan, die de regering vraagt uiterlijk bij het Belastingplan 2029 een box 3-stelsel op basis van een vermogenswinstbelasting te presenteren, inclusief dekkingsopties.
- 12 februari 2026: de Tweede Kamer neemt het wetsvoorstel aan.
- 25 februari 2026: staatssecretaris Eelco Eerenberg kondigt aan het voorstel te willen aanpassen vanwege verwachte weerstand in de Eerste Kamer.
- 26 februari 2026: de Tweede Kamer neemt een motie aan die het kabinet vraagt in te zetten op achterwaartse verliesverrekening.
- 6 maart 2026: Kamerbrief: het kabinet houdt vast aan invoering per 2028 en onderzoekt carry-back vanaf 2029.
- 19 mei 2026: de Eerste Kamer houdt twee deskundigenbijeenkomsten over het wetsvoorstel.
- 19 juni 2026: Eerenberg stuurt beide Kamers een brief met een “menukaart” van onderzochte verzachtingen: een carry-back van รฉรฉn jaar, een verlaging van het tarief van 36% naar 35%, een verhoging van het heffingsvrije resultaat van โฌ 1.800 naar โฌ 1.900, behoud van de heffingskorting voor groen beleggen, een doorschuifregeling bij huwelijk en scheiding, voortgang van de wet voor start-ups en scale-ups, en enkele specifieke regelingen (NSW-landgoederen, partiรซle buitenlandse belastingplicht, win-winlening). Concrete keuzes en dekking volgen later; hij vraagt de Eerste Kamer de stemming uit te stellen.
- 25 juni 2026: de Hoge Raad oordeelt dat niet-bezwaarmakers geen recht hebben op rechtsherstel over 2017 tot en met 2020 (ECLI:NL:HR:2026:907). Voor de ongeveer een miljoen mensen die destijds geen bezwaar maakten tegen hun aanslag, is daarmee de laatste route naar teruggaaf dicht.
- 30 juni 2026: de Eerste Kamer debatteert over het wetsvoorstel en besluit de stemming aan te houden tot de novelle is behandeld.
- 7 juli 2026: de Eerste Kamer verwerpt de motie-Schalk (SGP) om geen bezwaar te maken tegen intrekking van het wetsvoorstel. De drie andere moties worden aangehouden. Over het wetsvoorstel zelf stemt de senaat niet.
- 31 augustus 2026: D66, VVD en CDA sluiten een begrotingsakkoord. Over box 3 wordt in de augustusbesluitvorming geen besluit genomen, zo staat in de ambtelijke nota van 3 september 2026.
- 13 september 2026: minister Heinen en staatssecretaris Eerenberg sturen een Kamerbrief over box 3. De steun voor aanpassingen en voor de dekking daarvan liggen te ver uiteen voor een breed gedragen voorstel. Het kabinet vraagt de Eerste Kamer de behandeling aan te houden en wil bij het eerstvolgende budgettaire besluitvormingsmoment met voorstellen komen.
- 15 september 2026: het pakket Belastingplan 2027 bevat geen enkele box 3-maatregel en er is geen novelle ingediend. Voor 2027 blijft het huidige forfaitaire stelsel gelden, met een heffingsvrij vermogen van โฌ 60.098 en een forfait op overige bezittingen van 6,37%.
- 29 september 2026: in een Kamerbrief over box 3, koopkracht en sociale zekerheid kiest het kabinet voor een novelle op het wetsvoorstel. Het voorstel: vanaf 2028 een vermogenswinstbelasting voor alle financiรซle instrumenten, vanaf 2030 voor de overige bezittingen, en een heffingsvrij resultaat van โฌ 1.000. Ter dekking dalen per 2027 het heffingsvrij vermogen naar โฌ 30.846 en het hoge box 2-tarief voor vier jaar naar 29,2%, en stijgt het forfait voor overige bezittingen met 1,5 procentpunt. De novelle moet vรณรณr 31 december 2026 door de Eerste Kamer.
- 1 oktober 2026: tijdens de Algemene Financiรซle Beschouwingen zegt minister Heinen dat het kabinet bereid is tot een andere grens dan het heffingsvrije resultaat van โฌ 1.000, na kritiek van oppositie en coalitiefracties. Ook naar de verlaging van het heffingsvrij vermogen en de hogere heffing voor 2027 kijkt hij opnieuw. Duidelijkheid volgt bij de behandeling van het Belastingplan.
Dan zie je mijn kijk op wat je gezocht hebt,
ook als je niet wist dat ik erover geschreven heb.

Geef een reactie